Transhuman understanding

Virtual Reality Learning Lab

Transhuman understanding

Paper written for the course ‘Transhuman epistemics’, about the limitations of extending cognitive capabilities to increase understanding.

Transhumaan begrip
Paper Transhuman Epistemics

Al eeuwenlang is de mens geïnteresseerd in het begrip ‘kennis’. ‘Wat is kennis?’, ‘Wat betekent het als iemand iets weet?’, ‘Is er een objectieve werkelijkheid?’, ‘Is die objectieve werkelijkheid kenbaar, op welke wijze kunnen mensen die achterhalen?’, ‘Wat zijn onze bronnen van kennis en wat zijn de mechanismen waarmee we het vergaren?, ‘Wat zijn de limieten van de menselijke kennis’ en “Hoe zouden we kennis moeten vergaren?’. Dit is een aantal vragen die de leer van kennis, de epistemologie, al tijden probeert te beantwoorden.

            Sinds de enorme vooruitgangen die bereikt zijn in wetenschapsgebieden als de neurologie en biopsychologie is de menselijke geest echter niet meer een onderwerp dat enkel met een filosofische methode kan worden onderzocht. Wetenschappelijke analyse van hersenactiviteit bij het optreden van bepaalde ervaringen, of doen van bepaalde opdrachten, is een veel vruchtbaardere bron van informatie geworden dan filosofische introspectie. Deze ontwikkelingen hebben geleid tot de introductie van een nieuwe term: epistemica. Christopher Longuet-Higgins definieerde de term enkele decennia geleden bij het introduceren ervan als volgt:

 ‘the construction of formal models of the processes – perceptual, intellectual, and linguistic – by which knowledge and understanding are achieved and communicated’[1]

Een belangrijk verschil met de epistemologie is dat de epistemica het normatieve aspect mist, het probeert de laatste vraag van de eerste alinea niet te beantwoorden, of voor te schrijven wanneer je gerechtigd (jusitfied) bent een bepaalde overtuiging te hebben. De epistemologie was een puur filosofisch onderzoeksgebied. De epistemica een meer beschrijvende wetenschappelijke methode. Het moet de traditie van kennisleer voortzetten en uitbreiden met wetenschappelijke inzichten.

Naast de enorm gegroeide kennis over de menselijke hersenen, heeft ook de inbreng van kennis van kunstmatige intelligentie en computerwetenschappen geholpen nieuwe inzichten over de menselijke geest te creëren. De coöperatie tussen al deze wetenschapsgebieden en de filosofie heeft de mogelijkheden uitgebreid om theorieën te ontwikkelen, die de toekomst van de menselijke geest trachten te voorspellen.

In het volgende hoofdstuk behandelen we de theorie van Clark, aan de hand waarvan we de invloed van huidige, maar ook toekomstige techniek op de menselijke geest kunnen bespreken. We gaan ons bezig houden met ‘transhumane epistemica’: met de manier waarop de met technologie geüpgrade ‘mens’ (‘Homo Sapiens 2.0’, zo je wilt) kennis vergaart. Hierbij is het van belang in te zien wat epistemica precies inhoudt. Als we de bovenstaande definitie aanhouden, komt een aspect naar voren, dat naar mijn mening essentieel is en bovendien onderbelicht door Andy Clark. De epistemica onderzoekt kennis in een brede zin, van weten hoe laat het is, tot het begrijpen van de relativiteitstheorie. In de definitie wordt dit benadrukt door ‘knowledge and understanding”. We moeten bespreken wat voor invloed technologie kan hebben op begrijpen, in plaats van alleen te kijken naar onze dataopslag. Hiervoor zullen we aan de hand van een aantal voorbeelden de concepten kennis en het begrip dat daarvoor nodig is verkennen. Met behulp van deze theorie kunnen we in hoofdstuk 3 proberen een realistischer[2] beeld te schetsen van de relatie tussen mens en technologie en de toekomst van de menselijke geest.

 

 

 

I The Extended Mind

Al eeuwen wordt door mensen benadrukt dat ze fundamenteel verschillend zijn van andere dieren. Inderdaad onderscheidt de mens zich van andere diersoorten op een essentieel punt: de ontwikkeling van technologie. Waar de evolutionaire strijd om te overleven altijd werd gewonnen door die soort die zich het beste kon aanpassen aan de omgeving, heeft de mens geleerd zijn omgeving aan zichzelf aan te passen.[3] De mens gebuikt zelfs externe objecten om de omgeving verder aan te passen en hiermee de overlevingskansen te verhogen.

Mensen hebben de capaciteit om technologische hulpmiddelen volledig in hun dagelijks leven op te nemen. De relatie tussen de menselijke hersenen en externe hulpmiddelen is zo sterk, dat Andy Clark voorstelt niet langer te spreken over een ingewikkelde wisselwerking tussen techniek en de mens, met behulp van inputs en outputs, maar het technologische gereedschap deel te maken van het cognitieve proces. Als je pen en papier gebruikt bij het maken van een som, horen die bij de menselijke geest. De mens moet gezien worden als een unie van een biologisch en niet-biologisch gedeelte, als een cyborg. Dit is de theorie van de ‘uitgebreide geest’ (extended mind). Zijn visie wordt ook wel het actief externalisme genoemd, aangezien objecten in de omgeving een actieve rol spelen in het creëren van de menselijke geest. Het verdedigen van deze hypothese is een centraal thema in het werk van Clark.

De filosofische theorie van de uitgebreide geest wordt vrijwel geheel uiteen gezet in de paper ‘The Extended Mind’, geschreven door Andy Clark in samenwerking met David Chalmers. De strekking van Clark’s boek ‘Natural Born Cyborgs’ dekt ongeveer dezelfde lading als deze paper, hoewel dit boek ook een grote collectie praktische voorbeelden, leuke experimenten, en dergelijke biedt. Wellicht is de filosofische waarde hiervan niet erg groot, maar de concrete voorbeelden maken Clark’s allerminst alledaagse theorie veel levendiger en aannemelijker. Het exotische idee om niet-biologische objecten tot de menselijke geest te rekenen lijkt zinvoller nadat Clark illustreert hoe wij in het dagelijks leven met techniek omgaan. Ik zal een tweetal, enigszins aangepaste, gedachte-experimenten bespreken die Clark gebruikt ter ondersteuning van zijn theorie en aan de hand waarvan we zijn theorie grotendeels kunnen bespreken.

 

In het eerste gedachte-experiment worden de gelijkenissen beschouwd tussen twee personen. Inga heeft van een vriend gehoord dat er een tentoonstelling is in het Scheltema Complex en wil het gaan bekijken. Ze denkt na en herinnert zich dat het Scheltema zich in de Marktsteeg bevindt. De overtuiging van Inga over de locatie van het Scheltema is niet uit het niets ontstaan. De overtuiging bevond zich ergens in haar geheugen, wat ze door na te denken raadpleegde. We zeggen dan ook in het dagelijks leven dat ze die overtuiging al die tijd al had en niet pas toen ze zich ervan bewust werd.

De tweede persoon is Otto. Hij lijdt aan Alzheimer. Daar zijn geheugen niet veel meer waard is, heeft hij altijd een notitieblokje bij zich dat hij gebruikt als zijn geheugen. Zo heeft hij er in opgeschreven dat het Scheltema Complex in de Marktsteeg is. Als hij hoort dat daar een tentoonstelling is, zoekt hij op in zijn notitieblokje waar het ook alweer is. Intuïtief zouden we niet zeggen dat Otto de overtuiging had dat het Scheltema Complex in de Marktsteeg was voordat hij het in het notitieblokje heeft opgezocht. We zouden de situatie van Otto ook als volgt kunnen beschrijven: Otto wil naar het museum gaan. Otto heeft de overtuiging dat de locatie van het museum in zijn notitieblokje staat. Otto zoekt het op en gelooft de locatie die daarin staat. Dit is opvallend, aangezien Otto op een zelfde manier omgaat met het notitieblokje als Inga met haar biologisch geheugen. Zij moet de informatie immers ook opzoeken (in haar geheugen) voordat zij zich bewust is van de overtuiging.

Volgens Clark kan je ook in dit geval zeggen dat Otto een overtuiging heeft over de locatie van het Scheltema, ook voordat hij het heeft opgezocht. Hij heeft, net als Inga, die overtuiging ooit gekregen en heeft die informatie opgeslagen. Het opslagmedium is het enige dat verschilt. In het geval van Inga bevindt dit medium zich binnen de grens van ‘huid en schedel’, in het geval van Otto erbuiten. Over het algemeen neemt men deze grens ter scheiding van de ‘binnen-’ en de ‘buitenwereld’ zo strikt in acht, dat Clark het een ‘heilige’ grens noemt waarbinnen de menselijke geest zich bevindt.

Dit experiment maakt de willekeur duidelijk van de grens van huid en schedel voor het einde van de geest. Volgens Clark maakt het geen verschil of de informatieopslag zich binnen of buiten het biologische lichaam bevindt. Zijn standpunt is dan ook dat technologie een dusdanig sterke rol speelt in het denken van mensen dat we gezien kunnen worden als cyborgs. De mens heeft het vermogen om complexe relaties aan te gaan met niet-biologische systemen en die deel te maken van hun probleemoplossende systemen. De menselijke geest is uitgespreid over de hersenen en de omgeving. Hoewel het niet-biologische deel een steeds belangrijkere rol gaat spelen, is de mens al geruime tijd een cyborg volgens Clark.

 

Het tweede gedachte-experiment maakt duidelijk welke eigenschappen belangrijk zijn bij het bepalen of een technologie tot onderdeel van de menselijke geest kan worden gerekend: de toegankelijkheid en beschikbaarheid ervan. Clark vat deze eigenschappen samen als de ‘transparantie’ van een technologie. Aangezien het notitieboekje uit het vorige experiment niet erg transparant is[4], is de stelling dat de informatie van het notitieblokje tot Otto’s kennis behoort, wellicht nog niet erg aannemelijk. Dit gedachte-experiment zal Clark’s idee wellicht aannemelijker maken.

Stel een alledaags tafereel voor: een man vraagt aan een vrouw of zij weet hoe laat het is. Als de vrouw een horloge om heeft en de man niet wil vervelen met taalkundige imperfecties, zal zij waarschijnlijk deze vraag positief beantwoorden. Vervolgens kijkt ze op haar horloge en vertelt de man dat het kwart voor twee is. Stel nu een soortgelijke situatie voor, waarbij de man in plaats van naar de tijd, nu naar de betekenis van het woord ‘mondegreens’ vraagt. De vrouw zou, net als ik tot vanavond, waarschijnlijk deze vraag beantwoorden met ‘nee’. Hoewel ze wel thuis een woordenboek heeft staan, met daarin de informatie dat onder mondegreens ‘verkeerd verstane liedteksten’ worden verstaan. De vrouw zou zeker niet zeggen dat ze de betekenis van het woord kent, en het vervolgens gaan opzoeken, hetgeen ze in feite wel deed toen haar de tijd werd gevraagd.

Het verschil tussen deze twee situaties ligt volgens Clark in de transparantie van de gebruikte technologie. De lijn tussen informatie die direct en makkelijk toegankelijk is voor een mens en dat wat als zijn kennis kan worden gerekend, is erg vaag en instabiel. Hierom kan volgens Clark kennis het beste gezien worden als alle informatie die voor een individu direct en makkelijk beschikbaar is op elk gewenst moment. De transparantie van de relatie tot de informatieopslag is dus doorslaggevend of bepaalde informatie tot de kennis van een individu hoort. Informatie die opgeslagen is in ons biologische geheugen zien we vanzelfsprekend als kennis, omdat onze relatie hiermee over het algemeen erg transparant is. Het opzoeken in een woordenboek kost dusdanig veel tijd dat we de inhoud ervan niet zien als deel van onze kennis. Volgens Clark vertel je de waarheid als je zegt dat je de tijd weet, alvorens je op je horloge hebt gekregen. ‘Jij’ bent nu alleen “the hybrid biotechnological system that now includes the wristwatch as a proper part.”[5]

 

Deze geheel andere vorm van denken over de menselijke geest die Clark introduceert maakt de scheiding tussen wat wel en niet tot de menselijke kennis hoort erg onduidelijk. Als dit alleen ervan afhangt of de informatie direct en makkelijk toegankelijk is willen we de informatie die een horloge bij zich draagt inderdaad rekenen tot de kennis van de drager ervan (of: behorend tot het hybride biotechnologische systeem inclusief horloge). Verandert dit echter weer als de drager vastgebonden is en dientengevolge niet zijn horloge kan raadplegen?

Aan de andere kant is het ook discutabel of de informatie opgeslagen op het biologische geheugen volledig behoort tot de kennis van die persoon. Het biologisch geheugen is namelijk veelal niet zo transparant als we wellicht geneigd zijn te zeggen. Hoe vaak komt het bijvoorbeeld niet voor dat je niet op iemands naam kunt komen, of hoe laat die afspraak ook alweer was? Je hebt die informatie ergens opgeslagen in je geheugen, misschien zelfs pas een paar uur gelden, maar kunt het niet ‘vinden’. Verdrongen herinneringen die psychologen proberen boven te halen zijn een ander voorbeeld. Ook die informatie bevindt zich ergens in de biologische hersenen, maar is allerminst altijd beschikbaar. Alleen bij bijzondere psychologische omstandigheden en bepaalde associaties kan de persoon zich bewust worden van deze herinneringen.

 

Ik denk niet dat het heel interessant is om te beschouwen waarom een bepaalde bron van informatie per se wel tot de menselijke kennis hoort, en waarom een andere bron niet, of om te bepalen wat de precieze vereisten zijn voor de transparantie van de informatieopslag. Ik vermoed dat zulk soort vraagstukken gedoemd zijn gevoegd te worden bij de eerdergenoemde lijst van overpeinzingen van de epistemologie waarover nog geen eenduidigheid in zicht is. Of je informatie opgeslagen op niet-biologisch geheugen nu wel tot menselijke kennis wilt rekenen of niet, van belang is de bijzondere verhouding van de mens met techniek. Ik zal de theorie van Clark behandelen in deze paper, aangezien zijn theorie deze relatie naar mijn mening het best benadrukt. Aan de hand van het principe van de uitgebreide geest kunnen we op een zinvollere manier de invloed van allerlei technologieën op de menselijke geest bespreken.

 

In de gedachte-experimenten maakt Clark (ik vermoed expres) gebruik van alledaagse technologie waar we volledig aan gewend zijn, zoals een horloge en een kladblokje. Hiermee wordt benadrukt dat het zijn van een cyborg niet (per se) is als in sciencefiction films, waar metalen constructies lichaamsfuncties hebben overgenomen, draden aan delen van de hersenen zijn gekoppeld, oogvervangende apparaten zijn aangesloten, etc. De mens die een som oplost met pen en papier is immers volgens Clark ook een cyborg,

Het wordt echter interessanter als we stilstaan bij de invloed van complexere techniek op de menselijke epistemica. Als de menselijke hersenen transparant zouden kunnen communiceren met moderne technologie zoals de op silicium gebaseerde geïntegreerde schakelingen en chips van de laatste decennia, dan heeft de mens transparante toegang tot een enorme database van informatie. Als de technologie ook nog gekoppeld is aan Internet, zou alle informatie die op Internet staat tot de kennis gerekend kunnen worden van eenieder die beschikt over deze technologie.

Dit roept bij mij onvermijdelijk door sciencefiction gecreëerde beelden op van een mens die verlaten is op een verre planeet, een kabel inplugt ergens in zijn hoofd, wat hem koppelt aan zijn zakcomputer. Enkele momenten later weet hij alles over de techniek van het type ruimteschip waarvan hij een kapot exemplaar heeft gevonden. Hierdoor is hij in staat dit eigenhandig te repareren en zijn missie te voltooien.

Hoewel ik dit soort scenario’s allerminst wil uitsluiten, denk ik dat hiervoor nog een lange weg te gaan is[6]. Een langere weg dan je wellicht zou vermoeden nadat je Clark’s futuristisch lijkende suggestie hebt geaccepteerd dat wij allen cyborgs zijn. Clark doet zelf geen expliciete uitspraken over dit soort toekomstige mogelijkheden, waardoor hem niet het schrijven van ononderbouwde sciencefiction[7] verweten kan worden. Hij benadrukt echter wel de enorme potentie van technologie om de menselijke geest te herontwerpen, zonder hierbij veel aandacht te besteden aan de moeilijkheden en beperkingen die er zijn bij ‘man merging with technology’.[8] In het volgende hoofdstuk zal ik uitweiden over de complexiteit van kennis. Aan de hand hiervan kan ik in hoofdstuk 3 bespreken wat de problemen zijn met het bovenstaande uploaden van theorieën.

 

 

 

II Kennis en begrip

Zoals we gezien hebben proberen filosofen al eeuwen een definitie voor kennis op te stellen. Toch is hier nooit eenduidigheid over bereikt, noch lijkt daar veel uitzicht op te bestaan. Hierdoor is kennis een vaag omlijnd en breed begrip geworden. Ik zal dan ook niet proberen een volledige definitie ervan te geven, noch één van de vele definities ervan expliciet te verdedigen. Het doel is hier het concept kennis te verkennen aan de hand van voorbeelden uit het dagelijks leven.

Er zijn duidelijke verschillen in de complexiteit van kennis. Het herkennen van een geluid en dat associëren met een bepaalde gebeurtenis is bijvoorbeeld een van de eenvoudigste vormen van kennis. Ook menig huisdier is in staat tot het herkennen van het geluid van de brokjes en als reactie erop naar de etensbak te rennen. Een andere betrekkelijk eenvoudige vorm van kennis[9] is het kennen van Franse woordjes of jaargetallen. Om dit te begrijpen is echter al een veel breder kader vereist: je moet weten of het mannelijk of vrouwelijk is en hoe je lettercombinaties uitspreekt, of dat de plek van de cijfers bepaalt welke bijdrage het cijfer heeft in het getal. Kennis kan echter nog veel complexer zijn, bijvoorbeeld het begrijpen van een natuurkundige formule of de oorspronkelijke tekst van een oude filosoof. In het eerste geval moet je kennis hebben van de verschillende variabelen, waar die voor staan, wat de tekens ertussen betekenen, wat voor wiskundig verband dat oplevert, etc. Voor het tweede geval is kennis vereist van de taal waarin het stuk geschreven is, de destijds heersende cultuur, wat voor beeldspraak er werd gebruikt en wat al niet meer. Het volgende voorbeeld verkent hoe complexiteit in kennis ontstaat.

Ik meen me nog vrij goed te herinneren hoe we op school vermenigvuldigen geleerd kregen. Gedurende enkele jaren tijdens de basisschooljaren moesten we de tafels van 1 t/m 10 leren. Met behulp van klassikaal opdreunen, liedjes en vooral veel herhalen werd ons geleerd dat 5 maal 2 gelijk aan 10 was, 9 maal 4 evenveel was als 36, 8 maal 7 is 56, etc. Later leerden we een manier om grotere getallen met elkaar te vermenigvuldigen met behulp pen en papier en een truc bestaande uit het bijzetten van nullen, onthouden van cijfers en handig gebruik maken van de tafels die we kenden. Tot vervelens toe werd dit herhaald en herhaald, totdat iedereen zo goed als foutloos grote getallen met elkaar kon vermenigvuldigen.

Ik denk dat de meeste mensen met een soortgelijke educatie zullen zeggen dat ze begrijpen hoe ze 126 maal 34 met pen en papier moeten berekenen. Ik heb in ieder geval het gevoel dat ik dat begrijp[10]. Het leren van deze vaardigheid bestaat echter, zoals we net hebben gezien, uit het stampen van de tafels van 1-10 en het leren van een truc en die blijven herhalen.[11] De rijen getallen, met elkaar verbonden via vermenigvuldigings- en is gelijk aan-tekens, zijn echter eenvoudige feiten die simpelweg uit het hoofd zijn geleerd[12]. Ook de truc om grotere getallen te vermenigvuldigen bestaat uit niets meer dan een aantal simpele regeltjes die je uit je hoofd dient te weten. Het vele oefenen van de truc om te vermenigvuldigen heeft net als het klassikaal opdreunen van de tafels als functie het onthouden ervan. Echter, door deze verzameling kennis te combineren, beschik je op den duur dus over de kennis van het vermenigvuldigen van grotere getallen, waar duidelijk meer begrip voor nodig is. Uit dit voorbeeld blijkt dat complexe kennis bestaat uit een verzameling van eenvoudige kennis.

We kunnen ook van complexere kennis dan vermenigvuldigen bekijken in wat voor eenvoudige kennis het kan worden opgegedeeld. Het kennen van een natuurkundige formule kun je bijvoorbeeld opdelen in kennis over wat de variabelen betekenen, in wat voor eenheden de grootheden worden gemeten, kennis van delen, worteltrekken, logaritmen toepassen, integreren, differentiëren, etc. Deze wiskundige bewerkingen kunnen weer worden opgedeeld in een verzameling simpelere wiskundige regels. Hierbij wordt ook weer gebruik gemaakt van uit het hoofd geleerde uitkomsten van simpele rekenkundige bewerkingen, zoals de tafels van 1-10[13].

Ook minder formele kennis dan rekenkundige bewerkingen en natuurkundige formules kunnen we reduceren tot een verzameling eenvoudige kennis. Bij menselijke interacties, zoals het begrijpen van een conversatie met een vriend, zijn echter enorme hoeveelheden kennis vereist: de betekenissen van talloze woorden, grammaticale regels, lichaamstaal en intonatie, culturele omgangsvormen, de persoon met wie gecommuniceerd wordt, achtergrondkennis over het gespreksonderwerp, etc. Deze enorme verzameling kennis is de reden waarom computers wel in staat zijn complexe wiskundige berekeningen uit te voeren en ik nog nooit een computer heb meegemaakt die slaagde voor de Turing test.[14] [15]

 

Uit deze voorbeelden is duidelijk geworden dat kennis complexer wordt naar mate de verzameling eenvoudige kennis waar het in op te delen is groter is. Wat echter belangrijk is voor begrip, is een flexibele omgang met de onderliggende verzameling kennis. Het is duidelijk dat bijvoorbeeld het letterlijk kunnen herhalen van een betoog van Daniel Dennett niet voldoende is voor het begrijpen van zijn visie op het lichaamgeest probleem. Je moet ten minste in staat zijn de uitleg anders te formuleren, of een gerichte vraag erover te kunnen beantwoorden. Om het nog beter te begrijpen moet je ook soortgelijke theorieen kunnen herkennen, of bijvoorbeeld kunnen bedenken hoe Dennett zou reageren op tegenargumenten. Hiervoor is echter nog een veel groter kader nodig dat de geschiedenis van het lichaamgeest probeem omvat, de stroming(en) waar hij zich tegen verzet en de wetenschappelijke gegevens die aanleiding geven tot de theorie.

Om dusdanig flexibel om te gaan met een theorie zijn de associaties tussen de verschillende stukken kennis essentieel. In de termen van neurale netwerken: het is belangrijk om knooppunten/concepten met zoveel mogelijk andere (zinvol gerelateerde) knooppunten/concepten te verbinden. Door vele alternatieve paden naar een punt te creeeren, vergroot je de kans dat de kennis van het concept wordt gebruikt in het denkproces. Dit lijkt ook overeen te komen met de dagelijkse ervaring. Als een concept ‘ingebed’ is in je denken, je het vanuit verschillende kanten kunt benaderen en je het in diverse situaties gebruikt, begrijp je dat concept goed. Begrip kan mijns inziens gezien worden als een mate van associaties: meer (zinvolle) associaties betekent ook meer begrip.[16]

Wanneer kennis echter complexer wordt, en het dus bestaat uit een grotere hoeveelheid eenvoudige kennis, neemt het aantal associaties dat gemaakt kan worden explosief toe. Als het neurale netwerk uit meer knooppunten bestaat, kunnen tussen al deze punten ook weer verbindingen worden gemaakt, hetgeen het netwerk onnoemelijk veel ingewikkelder maakt. Flexibele omgang met de kennis wordt, gezien het aantal benodigde associaties, steeds veeleisender. Naar mate kennis complexer wordt, wordt het begrijpen ervan dus moeilijker, hetgeen zeker overeenkomt met de dagelijkse ervaring.

Hier liggen de beperkingen van het menselijke kenvermogen. Niet de capaciteit van de menselijke hersenen is het probleem: huidige schattingen van de informatie die hierin kan worden opgeslagen zijn in de orde van grootte van honderden Terabytes. Een mens kan alle losse feitjes waaruit complexe kennis is opgebouwd uit zijn hoofd leren, voor het begrijpen ervan is echter een netwerk van associaties vereist. Dit begrip kan bereikt worden door een leerproces waarin verbindingen tussen neuronen worden gelegd, verbroken en versterkt. Dat hier limieten aan verbonden zijn blijkt bijvoorbeeld uit de dagelijkse ervaring dat sommige studenten bepaalde vakken nooit halen. Hoe lang ook voor dit leerproces wordt uitgetrokken, ze kunnen niet flexibel genoeg met de kennis omgaan om de gerichte tentamenvragen te beantwoorden.

 

 

 

III Uploaden van theorieën

In het eerste hoofdstuk bespraken we dat mensen vaak zeggen dat ze weten hoe laat het is, terwijl ze dan nog op hun horloge moeten kijken. Door de hoge transparantie van het polshorloge hebben mensen dusdanig veel vertrouwen in de technologie dat ze de informatie die het horloge draagt in het spraakgebruik tot hun eigen kennis rekenen. Ook constateerden we dat de vrouw uit het gedachte-experiment niet zal zeggen dat ze de betekenis van een woord kent als ze dat eerst moet opzoeken in haar woordenboek thuis. Deze kennis is duidelijk niet transparant genoeg verkrijgbaar.

We kunnen ons echter vrij gemakkelijk technologie voorstellen die alle informatie van een woordenboek bevat en op een vrij transparante wijze kan communiceren met het biologische deel van de mens. Je draagt een computertje ergens op je lichaam, met een microfoon, slimme spraaksoftware die verschillende stemmen goed kan verstaan en de informatie van een uitgebreid woordenboek, inclusief eenvoudige uitleg en voorbeeldzinnen. Bij aanschaf van dit apparaat maak je een test waaruit duidelijk wordt wat de woordenschat opgeslagen op je biologisch geheugen is, waar het apparaat een database van maakt.[17] Als uitgang in het proces heeft dit apparaat een koptelefoontje in je oor. Zodra het apparaat een woord hoort waarvan het weet dat het nog niet in het biologische geheugen van de gebruiker staat[18], klinkt er uit het koptelefoontje een eenvoudige uitleg van het woord en, naar behoeve van de gebruiker, ook een voorbeeldzin. Tot een in te stellen aantal keer wordt een woord uitgelegd als het apparaat dit hoort. Daarna wordt het opgenomen in de database die de woordenschat van de gebruiker weergeeft, aangezien het woord dan waarschijnlijk in het biologisch geheugen is opgenomen en het apparaat op dat moment dus overbodig is.[19]

Als deze vrouw nu een bovengenoemd apparaat bij haar draagt en haar de betekenis van een woord werd gevraagd, wat zou ze dan antwoorden? Direct nadat zij (en het apparaatje) het woord horen, krijgt ze een uitleg ervan in haar oor ‘gefluisterd’. Dit apparaat zou ongeveer even transparant zijn als een polshorloge, in ieder geval significant transparanter dan het woordenboek in de kast.[20] Maar zou ze zeggen dat ze het woord kent?

Wellicht op den duur wel, als de gebruiker gewend is aan het apparaat en er een aantal slimme updates aan het apparaat gedaan is zodat het de uitleg aanpast aan het dagelijks taalgebruik van de gebruiker, etc. Ook is de plek in de cultuur van het apparaat belangrijk.[21] Als je dit apparaat een jaar bij je draagt en elke keer als je een onbekend woord[22] hoort, je direct duidelijk wordt gemaakt wat het betekent, kan ik me goed voorstellen dat je vertrouwen in die informatie erg groot is. Dusdanig groot, dat het een volgende stap zou kunnen zijn om te zeggen dat je het woord kent[23]. Zo gaan we immers ook met ons biologische geheugen om. We kennen bepaalde woorden, ook al zijn we ons op dat moment niet bewust van die kennis: we vertrouwen op de transparantie van ons geheugen.

 

Dit apparaat lijkt erg transparant te communiceren met de mens. Als iemand op straat de vrouw vraagt naar de betekenis van een woord kan ze daar inderdaad antwoord op geven, terwijl die kennis niet in haar biologisch geheugen is opgeslagen. Wellicht is het zelfs terecht dat ze stelt dat ze het woord kent. Maar, begrijpt ze de betekenis van het woord ook? Ze kan de uitleg die in haar oor wordt ‘gefluisterd’ herhalen. In hoofdstuk 2 hebben we echter gesteld dat voor begrip flexibele omgang met kennis is vereist. Het menselijke werkgeheugen werkt dusdanig snel dat in veel gevallen de vrouw ook de uitleg zal kunnen herformuleren als de persoon op straat het niet direct begrijpt. Maar stel dat iemand bijvoorbeeld vraagt om de betekenis van een woord uit een bepaald jargon. Als de vrouw van dat vakgebied weinig af weet zal ze niet veel meer kunnen dan de door het aparaat verschafte output herhalen. Ze heeft niet de benodigde associaties om flexibel genoeg met de uitleg om te gaan.[24]

Dit probleem wordt duidelijker als we ons voorstellen dat aan dezelfde vrouw een complexere vraag wordt gesteld zoals: ‘Begrijpt u de filosofie van Spinoza?’, ‘Wat waren de oorzaken van de Eerste Wereldoorlog?‘ of ‘Weet u misschien hoe een halfgeleider werkt?’. Om dit soort vragen te beantwoorden is dusdanig veel begrip nodig dat de vrouw er waarschijnlijk niet in zou slagen om dit uit te leggen aan de voorbijganger (mits deze kennis niet in haar biologische geheugen is opgeslagen uiteraard). Ze heeft niet de benodigde associaties met begrippen binnen dat vakgebied of de verbindingen met andere kennisgebieden of methodes om flexibel met deze informatie om te gaan.

 

Het probleem met dit soort technologie is dat het nog steeds vertrouwt op de ‘neuroplasticiteit’ van de menselijke hersenen. Daarmee wordt het vermogen van de hersenen bedoeld om zich aan te passen naar aanleiding van ervaring. Dat de menselijke hersenen zo goed kunnen herstructureren, wordt als de belangrijkste oorzaak gezien van de intense relatie die de mens heeft met technologie. Dat het vertrouwen in deze plasticiteit zo groot is, heeft als oorzaak de talloze gevallen die hernieuwde verbazing oproepen over het menselijke brein.

Clark noemt bijvoorbeeld de Australische cyberartiest Stelarc. Deze man heeft een mechanische derde arm aan zijn lijf bevestigd en gekoppeld aan een aantal spieren in zijn buik. Door spieren in zijn torso aan te spannen kan hij zo de arm bedienen. Het enorme aanpassingsvermogen van de hersenen blijkt uit zijn ervaringen. Na genoeg oefening leerde hij de arm te besturen zonder dat hij daar bewust over hoeft na te denken. Net als bewegen met een biologische arm gaat de beweging onbewust en intuïtief. De arm voelt als deel van zijn eigen lichaam. Een ander voorbeeld zijn patiënten die een oor hebben dat niet meer werkt. Hiervoor zijn gehoorapparaten die rechtstreeks aangesloten worden op de gehoorzenuw. Hoewel dit in het begin moeilijkheden oplevert, weten de hersenen zich ook hier langzamerhand aan te passen aan de nieuwe stroom van informatie.

 

Deze voorbeelden betreffen echter functies die gezien worden als lagere hersenfuncties: motoriek, sensorische informatie, etc. Het is, voorzover ik weet, nog niet mogelijk om hogere hersensignalen te simuleren en dus rechtstreeks het denken te beïnvloeden. Hersenactiviteit die eerst geïnterpreteerd dient te worden wordt altijd gecommuniceerd via de traditionele wijze van de zintuigen. Je hersenen bewerken de informatie die binnenkomt via je ogen die op een boek gericht zijn, of de auditieve signalen van je oren tijdens college. Hier kan, en zal hoogstwaarschijnlijk verandering in komen. De neurowetenschappen ontwikkelen zich enorm snel. Wanneer eenmaal de eenvoudigere hersenactiviteit doorgrond is, kan aan de hogere hersenfuncties worden begonnen.

Maar zelfs als de ‘taal’ , de codering van dit soort hogere hersenactiviteit bekend wordt en de prikkels van activiteiten als ‘rekenen’ of ‘filosoferen’ kunnen worden gesimuleerd, is het probleem dat ik tracht duidelijk te maken in deze paper nog niet opgelost. Als de extern opgeslagen informatie die gelinkt wordt aan de menselijke hersenen, complex van aard is en begrepen moet worden, moeten er talloze verbindingen worden gelegd tussen de verzameling gegevens en de overige (relevant gerelateerde) kennis in het biologische geheugen. Om concepten goed te begrijpen is immers nodig dat deze geassocieerd worden met andere kennis en dit ook weer met andere kennis, etc.

In een meer dualistische optiek, waarbij er sprake is van een bewustzijnscentrum waar alle gedachten samenkomen[25], kan dit probleem eenvoudig worden opgelost. Koppel de techniek aan dit centrum, ontcijfer de signalen die hier vandaan komen (lees de gedachten van de gebruiker), stuur die naar een computer die verwante nuttige informatie terugstuurt, codeer dit naar de taal van de gedachten en je hebt een transparante verbinding met een externe geheugenopslag waarvan de informatie begrepen kan worden. In plaats van verschillende hersengebieden die een gedachte naar het bewustzijnscentrum sturen, doet nu de computer dit.

Deze visie staat echter ver af van die van Clark. Er is geen centrum van de gedachten, geen Cartesiaans theater. Hersengebieden werken parallel, op meerdere plekken in de hersenen worden bewuste signalen verzonden. Denken is de opeenvolging van outputs van verschillende hersengebieden. Als deze theorie een goede beschrijving geeft van de hersenen[26], is het probleem van het begrijpen nog niet opgelost door de vorige alinea.[27] Om een mens een extern opgeslagen theorie te laten begrijpen zonder dat de hersenen deze informatie hoeven te verwerken volgens het ‘reguliere’ leerproces, is een enorm aantal verbindingen nodig tussen de computer en verschillende kennisgebieden in de hersenen.

 

We hebben bij de gedachte-experimenten gezien dat de transparantie van technologie belangrijk is bij de bepaling welke informatie we tot de menselijke kennis rekenen. We hebben hieraan toegevoegd dat ook de complexiteit van informatie van belang is voor deze bepaling. Voordat complexere informatie tot de menselijke kennis kan worden gerekend, dient de persoon deze informatie echter te begrijpen. Hiervoor zijn echter talloze verbindingen nodig die verschillende stukken kennis met elkaar associëren. Het maken van dit enorme aantal verbindingen tussen het brein en technologie, is mijns inziens een onderbelicht obstakel naar het echt baanbrekende uploaden van theorieën.

 

 

Literatuurlijst

– Clark, Andy, 2003 Natural-Born Cyborgs. Minds, Technologies, and the future of human intelligence, Oxford Univ. Press

– Churchland, Paul, 1979, Scientific Realism and the Plasticity of Mind, CambridgeUniv. Press

– Dennett, Daniel C., 2007, Het bewustzijn verklaard, Olympus, vertaling: Maas, Ton & Frits Smeets

– Dennett, Daniel C., 2007, De evolutie van de vrije wil, Olympus, vertaling: Hans Bosman

– Everitt, Nicholas & Alec Fisher, 1995, Modern Epistemology. A new introduction, Mc Graw-Hill Inc.

– Friedenberg, Jay & Gordon Silverman, 2006, Cognitive Science. An Introduction to the Study of Mind, Sage

– Heil, John, 2004, Philosophy of Mind. A guide and anthology, Oxford Univ. Press

– Kurzweil, Ray, 2005, The Singularity is near. When humans transcend biology, Penguin Books

– Sacks, Oliver, 1985, The man who mistook his wife for a hat. And other Clinical Tales,Summit Books

http://en.wikipedia.org/wiki/Epistemics

http://en.wikipedia.org/wiki/Knowledge

http://en.wikipedia.org/wiki/Extended_Mind

http://en.wikipedia.org/wiki/Neuroplasticity

http://www.cogsci.ed.ac.uk/~jon/

http://www.vampire-project.org/

 


[1] Website hoogleraar epistemica Universiteit van Edinburg, Jan Oberland http://www.cogsci.ed.ac.uk/~jon/

[2] Realistischer dan de voorstelling die waarschijnlijk boven komt bij menig lezer bij het lezen van Andy Clark.

[3] Een vroeg voorbeeld hiervan is bijvoorbeeld de agricultuur, waardoor de mens niet meer afhankelijk was van het fruit dat hij vond of het wild dat hij ving.

[4] Hoewel het notitieblokje vrij betrouwbaar is en het altijd voor handen kan zijn, is erin opzoeken een tijdrovend proces. Het verschil met het biologisch geheugen is daarmee vrij groot. Op nauwkeurigheid zal het notitieblokje overigens vaak beter scoren dan het biologisch geheugen.

[5] Andy Clark 2003

[6] Hierbij doel ik uiteraard niet op de ontwikkeling van de ruimtevaart en wat de (on)mogelijkheden zijn van het overleven van mensen op een andere planeet.

[7] De grens tussen sciencefiction en futorologie blijkt soms erg onduidelijk (niet alleen als compliment aan de sciencefictionauteur bedoeld).

[8] Overigens heeft Clark genoeg collega’s die wel expliciet hun verwachtingen uitspreken over soortgelijke scenario’s. Voor de futuroloog Ray Kurzweil is het bijvoorbeeld duidelijk dat de menselijke geest verder kan leven op een computer, zo stelt hij in zijn boek ‘The Singularity is Near’.

[9] Betrekkelijk eenvoudig naar menselijke standaarden. Het gebrek aan een taal bij andere dieren die zo uitgebreid is als de menselijke, illustreert de complexiteit van onze taal.

[10] Het lijkt me niet heel zinvol ons af te vragen of dit wel echt begrijpen is, aangezien een algehele Cartesiaanse vertwijfeling dan denk ik nabij is.

[11] Voor het gemak hebben we het verder niet over de geleerde kennis van het tellen.

[12] Deze uit het hoofd geleerde feiten zijn natuurlijk wel weer te verklaren in termen van optelling. 8 maal 6 is niets anders dan 8 keer 6 bij elkaar optellen. Ik denk echter niet dat ik me dat destijds echt realiseerde bij het uit m’n hoofd leren van de tafels, noch dat ik die kennis nu gebruik bij het oplossen van 9 maal 5.

 

[13] Om een machtsterm te differentieren geldt bijvoorbeeld de regel: =. Om een natuurkundige differentiaalvergelijking uit te werken moet je dus n vermenigvuldigen met a. Hiervoor zijn de uit het hoofd geleerde tafels van 1-10 en voor grote getallen ook de regels voor vermenigvuldigen vereist.

[14] De Turing test is vernoemd naar Alan Turing, die in zijn artikel Computing Machinery and Intelligence uit 1950 een test uitwerkt om proefondervindelijk vast te stellen of een machine menselijke intelligentie vertoont. Een machine slaagt voor de test als de gebruiker ervan overtuigd is dat hij met een ander mens communiceert.

[15] Dat veel meer mensen moeite hebben met oplossen van wiskundige formules dan met sociale vaardigheden komt volgens mij door het hoge abstractieniveau van de wiskunde. Evolutionair gezien is abstract denkvermogen erg recent ontstaan, waardoor mensen hier niet goed voor uitgerust zijn. Een computer programmeren om berekeningen te doen is juist veel eenvoudiger dan sociale interactie.

[16] Dit resulteert niet alleen in een groter gevoel van begrijpen, ook zal kennis die veel associaties heeft functioneler worden gebruikt. Er is bijvoorbeeld verschil tussen een woord begrijpen in een tekst en het zelf gebruiken. Daarvoor wil je niet alleen de betekenis van dat woord goed kennen; het woord moet ook veel associaties hebben met gerelateerde woorden, contexten waar het in kan worden gebruikt, etc. Het moet een aanzienlijke kans hebben om in je denkproces te komen, alvorens je het zal gebruiken in een paper.

[17] Uiteraard zou deze test op steekproeven gebaseerd zijn, waarbij woorden worden gecategoriseerd in niveau en onderwerp, en geen dagen durende test waarbij de gebruiker van elk woord moet beantwoorden of hij het kent of niet.

[18] i.e. Het staat staat niet in de database die de woordenschat van het biologisch geheugen bijhoudt.

[19] Een apparaat als dit creëert een augmented reality, waarbij extra informatie over de externe wereld wordt gegeven en als het ware ‘over’ de realiteit heen wordt gelegd (in contrast met virtual reality waar de externe wereld geen rol speelt). Een bekender (en echt bestaand) voorbeeld hiervan is de bril met een videocamera erin die met behulp van ingenieuze beeldherkenningssoftware objecten kan herkennen en extra informatie over het object kan projecteren op de brilleglazen. Zie http://www.vampire-project.org/ voor een onderzoeksgroep die bezig is met dit apparaat.

[20] Terwijl de technologie die betrokken is bij het apparaat betrekkelijk eenvoudig is. Nota bene: de spraaksoftware zal ongetwijfeld erg complex zijn. Er is echter geen gebruik gemaakt van ‘exotische’ techniek, waarbij directe verbindingen worden gemaakt tussen de hersenen en ektronische apparatuur.

[21] Ik denk dat dit ook een belangrijke rol heeft gespeeld in de omgang met het polshorloge. Doordat steeds meer mensen horloges kregen en het gebruik ervan geaccepteerd werd, werden mensen meer geneigd de handeling van de tijd aflezen te negeren en te stellen dat ze de tijd wisten.

[22] Of een woord waar je de betekenis al eens eerder van hebt gehoord, maar waarvan het apparaat denkt dat het je niet helemaal duidelijk is, aangezien je het al een tijd niet of slechts enkele malen hebt gehoord.

[23] Waarschijnlijk zal aanvankelijk niemand zeggen dat hij een woord kent als hem dat gevraagd wordt en die informatie niet in zijn biologische geheugen staat.. Wanneer het afmaken van het ontkennende antwoord echter net zo lang duurt als het luisteren naar de betekenis van het woord, zie ik goede reden om te zeggen dat je het weet, een paar seconden ‘nadenkt’ (luistert naar het apparaat), en het woord uitlegt.

[24] Zoals Walter tegen Donny zou zeggen in ‘The Big Lebowski’: “You have no frame of reference!”

[25] Ook wel Cartesiaans theater genoemd

[26] Soortgelijke theorieën lijken de heersende visie onder cognitiewetenschappers te zijn.

[27] Wellicht hoeft dit probleem ook niet te worden opgelost en moeten de hersenen slechts in een minimale vorm betrokken worden bij het proces. Bij het voorbeeld van de verdwaalde ruimtereiziger die het ruimteschip wil maken in hoofdstuk 1, is het daar van belang dat de persoon begrijpt wat hij doet? Als de computer helemaal uit zichzelf handelt en de mens aanstuurt, kan het schip immers ook worden gerepareerd. In dit geval kun je echter niet meer spreken over het uploaden van theorieën, noch gaat dit nog over de diepgaande relatie tussen mens en technologie.

 

 

Leave a Reply

Your email address will not be published.